Vermaningen en raadgevingen
Vers 3 Indien iemand een andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is,4 een andere leer leert, en Namelijk gelijk ik geleerd heb.5 niet overeenkomt met Grieks niet komt tot de gezonde woorden; dat is, daaraan niet vasthoudt.Vers 4 Die is opgeblazen, en weet niets, maar hij raast omtrent twist vragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade nadenkingen.6 weet niets, maar Namelijk hoewel hij zichzelf wijs acht, of gaarne voor wijs zou gehouden worden.7 hij raast omtrent Grieks is ziek, of krank; namelijk van zinnen of verstand, gelijk dwaalgeesten en bedriegelijke leraars plegen, die de eenvoudige leer der godzaligheid te gering achten, en daarom met hogere spitsvondigheden of nieuwe leringen voor de gemeente zoeken te pronken, welke de apostel verklaard ongezond van verstand te zijn, omdat zij de gezonde leer verwerpen of voorbijgaan.Vers 5 Verkeerde krakelingen van mensen, die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn, menende, dat de godzaligheid een gewin zij. Wijk af van dezulken.8 Verkeerde krakelingen Of oefeningen, disputeringen, waarmede zij hunne en anderer verstanden gelijk als verslijten, zonder dat van zulke krakelingen of twistingen enige vaste nuttigheid tot een oprecht geloof, en de oprechte godzaligheid voortkomt.9 een gewin zij. Dat is, slechts dient om wereldse eer of gewin daardoor te zoeken, gelijk de bedriegelijke leraars onder hunne discipelen plegen te doen, waar de een met nieuwe gevoelens, spitsvondigheden en twisten de discipelen van anderen naar zich zoekt te trekken.Vers 6 Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging.10 is een groot gewin Dat is, in de godzaligheid zelve is het grootste gewin gelegen, dewijl die de belofte heeft des tegenwoordigen en des toekomenden levens, gelijk hij 1 Tim. 4:8 spreekt.11 met vergenoeging. Dat is, met een gemoed, dat genoeg heeft en tevreden is met hetgeen hem de Heere verleent, welke vergenoeging ook zelf uit de godzaligheid spruit. Want die Christus heeft, die heeft alles met Hem.Vers 7 Want wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen.Vers 8 Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn.12 vergenoegd zijn. Namelijk zonder naar andere rijkdommen gierig te staan.Vers 9 Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang.13 rijk willen worden, Dat is, hunne zinnen daarmede te zeer bekommeren, of met al te grote begeerte trachten om rijk te worden.14 in den strik, Namelijk des duivels, die hen door deze begeerte van rijk te worden tot vele onbehoorlijke dingen verzoekt, en als met een strik in de wereld vasthoudt. Zie Matth. 6:24.Vers 10 Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken.15 geldgierigheid is een wortel Grieks liefde des gelds.16 van het geloof, Dat is, van de gezonde leer des geloofs.17 met vele smarten doorstoken. Dat is, hunnen zielen met angst en zorg vele kwellingen aangedaan, om die te vergaderen, en als zij vergaderd zijn, om die te behouden. Waarom Christus haar ook bij doornen vergelijkt, Matth. 13:22, die de mensen kwetsen en het goede zaad verstikken.Vers 11 Maar gij, o mens Gods, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid.18 o mens Gods, Aldus noemt de Schrift degenen, die door Gods Geest worden geregeerd, en in het bijzonder de trouwe profeten en leraars. Zie 2 Kon. 1:9, enz.; 2 Tim. 3:17.Vers 12 Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.19 strijd des geloofs, Dat is, benaarstig u met alle vlijt niet alleen in het prediken van het woord des geloofs, maar ook in het beleven daarvan, 2 Tim. 4:7.20 grijp naar het eeuwige leven, Ene gelijkenis, genomen van degenen die om den prijs lopen, en al lopende hunne handen uitsteken om te grijpen, als zij omtrent den eindpaal komen. Zie 1 Cor. 9:24; Filipp. 3:13,14.21 de goede belijdenis beleden Namelijk van Christus getrouw te zullen dienen, toen gij van mij tot een evangelist in de tegenwoordigheid der ouderlingen zijt verkoren. Zie hiervoor 1 Tim. 4:14.Vers 13 Ik beveel u voor God, Die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus, Die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft,22 levend maakt, en voor Dat is, onderhoudt en alles het leven geeft, wat leven heeft, Hand. 17:25; ja ook tot het leven verwekt hetgeen reeds gestorven is; hetwelk Paulus hierbij doet, om Timotheüs tegen alle gevaar des doods te versterken.23 Die onder Pontius Pilatus Of, die voor. Zie hiervan Joh. 18:37, enz.Vers 14 Dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onzen Heere Jezus Christus;24 dit gebod houdt, onbevlekt Dat is, deze bevelen, die ik u tot hiertoe heb gegeven, zelf onderhoudt en anderen beveelt te onderhouden.Vers 15 Welke te Zijner tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der koningen, en Heere der heren;25 vertonen zal de zalige Dat is, te voorschijn zal brengen uit den hemel om te oordelen de levenden en de doden.26 alleen machtige Heere, Zo wordt God de Vader alleen wijs, 1 Tim. 1:17, en alleen goed genoemd, Matth. 19:17, en in het volgende vers 1 Tim. 6:16 gezegd de onsterfelijkheid alleen te bezitten, omdat hij die alleen van zichzelf en volmaakt heeft. En de apostel spreekt hier zo, niet om Christus hier uit te sluiten, die deze titels ook worden gegeven, Openb. 1:8, en Openb. 19:16, en elders, maar om God zo van alle schepselen te onderscheiden, en om aan te wijzen, dat wij geen macht, die tegen ons is, in de wereld hebben te vrezen, wanneer wij ons beroep getrouw uitvoeren, en derhalve God voor ons hebben, die door Christus eenmaal alles zal richten. Zie ook Joh. 17:3.Vers 16 Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Denwelken geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen.27 een ontoegankelijk licht bewoont; Dat is, een volmaaktheid en heerlijkheid in zichzelf bezit, die niemand kan begrijpen, gelijk het woord licht ook genomen wordt; 1 Joh. 1:5, enz.28 gezien heeft, noch zien kan; Namelijk met het oog des lichaams, dewijl hij een geestelijk wezen is, gelijk hij daarom onzienlijk genaamd wordt; 1 Tim. 1:17. Zie ook Joh. 1:18, en 1 Joh. 4:20.Vers 17 Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;29 wereld, dat zij niet hoogmoedig Grieks eeuw.30 alle dingen rijkelijk verleent, Zelfs ook de rijkdommen.31 om te genieten; Grieks tot genieting; namelijk met dankbaarheid en matigheid. Zie Deut. 8:10, enz.Vers 18 Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam;32 gemeenzaam; Deze deugd van gemeenzaamheid wordt gesteld tegen den trots en de teruggetrokkenheid van sommige rijken, die de kleinen en armen verachten, en zelfs niet willen te woord staan. Anderen nemen het voor een gemeenzaamheid om aan anderen gaarne alle vriendschap en hulp te bewijzen, gelijk de mededeelzaamheid, welke voorafgaat, alleen de goederen aangaat. Zie Gal. 6:6; Hebr. 13:16.Vers 19 Leggende zichzelven weg tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.33 een goed fondament tegen het Namelijk van hoop; niet dat de weldadigheid der rijken zulks verdient, maar omdat deze een vrucht is des geloofs, en God beloofd heeft deze uit genade om Christus' wil te belonen. Zie Hebr. 13:21, en 1 Petr. 2:5.Vers 20 O Timotheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen der valselijk genaamde wetenschap;34 het pand u toebetrouwd, Dat is, de gezonde leer des geloofs, welke u als een pand is te bewaren gegeven, om het wel aan te leggen en ook anderen te bewaren te geven.35 het ongoddelijk ijdel-roepen, Grieks heilige ijdele roepingen; waardoor de apostel weder de spitsvondige krakelingen der bedriegelijke leraars verstaat, die door hen met grote heftigheid en roepen zonder stichting worden gevoerd.36 tegenstellingen Namelijk zo tegen de gezonde leer, als ook zelfs tegen elkander in zaken waar geen zaligheid aan hangt, gelijk de bedriegelijke leraars plegen van de ene ijdele kwestie tot de andere te vervallen.Vers 21 Dewelke sommigen voorgevende, zijn van het geloof afgeweken. De genade zij met u. Amen.37 voorgevende, zijn Dat is, daarvan belijdenis doende, en zichzelf voor zulken uitgevende.38 van het geloof Dat is, van de gezonde leer des geloofs, gelijk 1 Tim. 6:10.39 afgeweken. Of gemist; gelijk iemand die het doel mist; wanneer hij scheen te schieten. Want zulken mensen overkomt dit dikwijls, dat zij door hunne spitsvondigheid en ijdele wijsheid van de ware wijsheid vervallen. Zie 2 Tim. 2:18.40 De genade zij met u. Amen. Zie hiervoor het besluit van de anderen brieven.