Vermaning tot heiligen wandel en onderlinge liefde
Vers 1 Voorts dan, broeders, wij bidden en vermanen u in den Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt, hoe gij moet wandelen en Gode behagen, dat gij daarin meer overvloedig wordt.1 Voorts Of, wat overig is, broeders.2 Heere Dat is, in den naam des Heeren Jezus of om Jezus Christus' wil. Zie 2 Cor. 5:20.3 ontvangen Dat is, geleerd of onderwezen zijt.Vers 2 Want gij weet, wat bevelen wij u gegeven hebben door den Heere Jezus.4 wat Hij spreekt hier niet van enige verholene geheime bevelen, maar van openbare, die Hij daarna weder herhaalt.5 door Dat is, vanwege den Heere, of uit last des Heeren Jezus.Vers 3 Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat gij u onthoudt van de hoererij;6 de Dat is, hetgeen God van u eist, of wil gedaan hebben.7 heiligmaking Dit woord kan in het algemeen genomen worden voor allerlei heiligheid of in het bijzonder voor de kuisheid of eerbaarheid, gelijk hierna verklaard wordt.Vers 4 Dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eer;8 zijn Dat is, Zijn lichaam, hetwelk naar een Hebreeuwse wijze van spreken alzo genaamd wordt, omdat het een werktuig der ziel is.9 ere Dat is, eerbaarheid. Want niets onteert het lichaam des mensen meer dan onkuisheid. Zie 1 Cor. 6:16, enz.Vers 5 Niet in kwade beweging der begeerlijkheid, gelijk als de heidenen, die God niet kennen.10 kwade Of, ontuchtige beweging.11 niet kennen Namelijk gelijk het behoort, en Hij in Zijn woord Zich geopenbaard heeft, 2 Thess. 1:8. Anderszins kennen de heidenen God ook uit de natuur, doch deze kennis was niet krachtig genoeg om hen tot Zijne liefde en gehoorzaamheid behoorlijk te bewegen; Rom. 1:19, enz.Vers 6 Dat niemand zijn broeder vertrede, noch bedriege in zijn handeling; want de Heere is een wreker over dit alles, gelijk wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben.12 vertrede Gr. overklimmen, en betekent iemand door geweld verongelijken, of meer afnemen dan behoorlijk is, gelijk het volgende woord verklaart.13 bedriege Gr. vergierige; hetwelk betekent iemand uit gierigheid bedriegen of verongelijken. Zie 2 Cor. 1:2, en 2 Cor. 12:17.Vers 7 Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking.14 onreinigheid Hieronder begrijpt de apostel niet alleen de ontuchtigheid, maar ook de gierigheid en onrechtvaardigheid, waardoor de ziel zelve bezoedeld wordt.Vers 8 Zo dan die dit verwerpt, die verwerpt geen mens, maar God, Die ook Zijn Heiligen Geest in ons heeft gegeven.15 dit Dat is, deze voorgemelde bevelen, gelijk hij die in 1 Thess. 4:2 heeft genoemd.16 geen Namelijk alleen, maar voornamelijk God, die zelf deze bevelen, door Zijne profeten en apostelen, heeft gegeven.17 in Dit kan òf van de apostelen verstaan worden, die door Gods Geest gedreven zijnde, deze bevelen hebben gegeven; òf ook van alle Christenen, die door Gods Geest zijn geheiligd, opdat zij niet meer de begeerten des vleses, maar des Geestes zouden volgen; Gal. 5:24, Gal. 5:25.Vers 9 Van de broederlijke liefde nu hebt gij niet van node, dat ik u schrijve; want gij zelven zijt van God geleerd om elkander lief te hebben.18 van God Gr. godgeleerden; waarvan zie Joh. 6:45.Vers 10 Want gij doet ook hetzelfde aan al de broederen, die in geheel Macedonië zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat gij meer overvloedig wordt;19 gij doet Dat is, gij bewijst ook metterdaad, dat gij de broeders liefhebt.Vers 11 En dat gij u benaarstigt stil te zijn, en uw eigen dingen te doen, en te werken met uw eigen handen, gelijk wij u bevolen hebben;20 u benaarstigt Namelijk als die doen die naar eer staan, of eer ergens in stellen, gelijk het Griekse woord medebrengt. Dit zegt de apostel, omdat de wereldse mensen gemeenlijk eer stellen en naarstig zijn, om zich met vele dingen te bemoeien, die hen zelfs niet aangaan, tegen welk gebrek hij de gelovigen hier waarschuwt, en vermaant hen liever eer te zoeken en zich te benaarstigen, om in stilte hun eigen dingen waar te nemen.21 met Namelijk om u en de uwen van behoorlijke nooddruft te verzorgen. Hetwelk de apostel spreekt tot degenen, die, onder het deksel van zich met algemene zaken buiten hun beroep te bemoeien, op anderen lieden arbeid zochten te leven, waarvan breder gesproken wordt 2 Thess. 3:10, enz.Vers 12 Opdat gij eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding van node hebt.22 eerlijk Dat is, buiten opspraak. Want de heidenen zelfs misprijzen ook zulk doen. Het Griekse woord betekent, hetgeen welvoegt of welstaat.23 die Dat is, die nog van het geloof vreemd zijn, gelijk 1 Cor. 5:12.24 geen Of, geens, of niemand; namelijk dergenen die buiten zijn; want het Griekse woord kan beide lijden.