Advertentie

1 Samuël 22:6-23

18 verzen · 26 kanttekeningen · Statenvertaling

Saul laat de priesters te Nob doden

Vers 6 En Saul hoorde, dat David bekend geworden was, en de mannen, die bij hem waren. Saul nu zat op een heuvel onder het geboomte te Rama, en hij had zijn spies in zijn hand, en al zijn knechten stonden bij hem.11 op een heuvel Anders, in Gibea. Anders, in een hoogte.Vers 7 Toen zeide Saul tot zijn knechten, die bij hem stonden: Hoort toch, gij, zonen van Jemini, zal ook de zoon van Isaï u altegader akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden, en oversten van honderden stellen?12 Jemini, Zie Richt. 19:16.13 de zoon van Isaï Zie boven, 1 Sam. 20:27, alsook onder 1 Sam. 22:9.Vers 8 Dat gij u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isaï; en niemand is onder ulieden, dien het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt, tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.14 voor mijn oor openbaart, Dat is, mij ontdekt of te kennen geeft. Zie Ruth 4:4.15 mijn zoon een verbond gemaakt heeft Dit spreekt Saul òf bij gissing, omdat Jonathan het beste voor David sprak, òf het was hem van iemand gezegd, dat Jonathan en David een verbond samen gemaakt hadden, waarvan gesproken wordt boven, 1 Sam. 18:3.16 mijn zoon heeft mijn knecht Dit zegt Saul uit verdenking, te meer omdat David met vierhonderd man in het land Juda gekomen was, menende dat hij geheime verstandhouding met Jonathan had.Vers 9 Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zeide: Ik zag den zoon van Isaï, komende te Nob, tot Achimelech, den zoon van Ahitub;17 Edomiet, Anders, Adomiet. Zie boven, 1 Sam. 21:7.18 bij de knechten van Saul stond, Anders, en die over de knechten van Saul gesteld was.19 den zoon van Isaï, Deze hoofse pluimstrijker spreekt ook al gelijk zijn meester Saul, 1 Sam. 22:7. Zie ook van Doëg, 1 Sam. 21:7; Ps. 52:1,2, enz.20 Ahitub; Van Ahitub wordt gesproken boven, 1 Sam. 14:3.Vers 10 Die den Heere voor hem vraagde, en gaf hem teerkost; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, den Filistijn.Vers 11 Toen zond de koning heen, om den priester Achimelech, den zoon van Ahitub, te roepen, en zijns vaders ganse huis, de priesters, die te Nob waren; en zij kwamen allen tot den koning.21 Ahitub, Deze Ahitub was de zoon van Pinehas, den zoon van Eli. Hij had twee zonen, namelijk Ahia, van wien gewag wordt gemaakt boven, 1 Sam. 14:3, en Achimelech, van wien hier gesproken wordt.Vers 12 En Saul zeide: Hoor nu, gij, zoon van Ahitub! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn heer!Vers 13 Toen zeide Saul tot hem: Waarom hebt gijlieden samen u tegen mij verbonden, gij en de zoon van Isaï, mits dat gij hem gegeven hebt brood en het zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zou opstaan tegen mij tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is?Vers 14 En Achimelech antwoordde den koning en zeide: Wie is toch onder al uw knechten getrouw als David, en des konings schoonzoon, en voortgaande in uw gehoorzaamheid, en is eerlijk in uw huis?22 voortgaande in uw gehoorzaamheid, Dat is, hij gaat alom heen waar gij hem schikt of heenzendt. Zie boven, 1 Sam. 21:2. Achimelech heeft niet anders geweten dan hij hier spreekt, toen hij David de toonbroden en het zwaard van Goliath gegeven heeft.Vers 15 Heb ik heden begonnen God voor hem te vragen? Dat zij verre van mij, de koning legge op zijn knecht geen ding, noch op het ganse huis mijns vader; want uw knecht heeft van al deze dingen niet geweten, klein noch groot.23 Dat zij verre van mij, Te weten, dat ik mij met David tegen u zou verbonden hebben, gelijk Saul hem verweet, 1 Sam. 22:13.24 op zijn knecht Dat is, op mij.25 geen ding, Te weten, geen zaak van samenspanning of rebellie tegen den koning.26 van al deze dingen niet geweten, Te weten, van enige verbinding of samenrotting tegen den koning, waarvan 1 Sam. 22:8 gesproken wordt.Vers 16 Doch de koning zeide: Achimelech, gij moet den dood sterven, gij en het ganse huis uws vaders.27 gij moet den dood sterven, Hebreeuws, stervende zult sterven; hij wil zeggen, ik zal u straks laten doden.Vers 17 En de koning zeide tot de trawanten, die bij hem stonden: Wendt u, en doodt de priesters des Heeren, omdat hun hand ook met David is, en omdat zij geweten hebben, dat hij vluchtte, en hebben het voor mijn oren niet geopenbaard. Doch de knechten des konings wilden hun hand niet uitsteken, om op de priesters des Heeren aan te vallen.28 doodt de priesters des HEEREN, Saul heeft wel deze priesters ten onrechte veroordeeld en door zijn eigen moedwil laten ombrengen. Evenwel, dit doende volbrengt hij hetgeen de Heere in zijn rechtvaardig oordeel besloten had over het huis van Eli. Zie boven, 1 Sam. 2:30.29 omdat hun hand ook met David is, Dit is, omdat zij ook verstandhouding met David hebben, en zijn metgezellen zijn in zijn ontrouw tegen mij.Vers 18 Toen zeide de koning tot Doëg: Wend gij u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doëg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde te dien dage vijf en tachtig mannen, die den linnen lijfrok droegen.30 die den linnen lijfrok droegen. Dat is, die den dienst Gods pleegden in de tent; want als zij dien pleegden, moesten zij linnen klederen aantrekken. Zie Exod. 28:42.Vers 19 Hij sloeg ook Nob, de stad dezer priesters, met de scherpte des zwaards, van den man tot de vrouw, van de kinderen tot de zuigelingen, zelfs de ossen en ezels, en de schapen, sloeg hij met de scherpte des zwaards.31 scherpte des zwaards, Hebreeuws, mond.Vers 20 Doch een der zonen van Achimelech, den zoon van Ahitub, ontkwam, wiens naam was Abjathar; die vluchtte David na.32 die vluchtte David na. Hij kwam bij hem te Kehila, 1 Sam. 23:6.Vers 21 En Abjathar boodschapte het David, dat Saul de priesteren des Heeren gedood had.33 boodschapte het David, Te weten, toen hij bij David te Kehila gekomen was.Vers 22 Toen zeide David tot Abjathar: Ik wist wel te dien dage, toen Doëg, de Edomiet, daar was, dat hij het voorzeker Saul zou te kennen geven; ik heb oorzaak gegeven tegen al de zielen van uws vaders huis.34 voorzeker Saul zou te kennen geven; Hebreeuws, te kennen gevende, te kennen geven zou.35 de zielen van uws vaders huis. Dat is, mensen, gelijk Gen. 14:21. Alsof David zeide: Ik ben aanleiding van hetgeen over al de personen van het huis uws vaders gekomen is; het is mijnenthalve geschied, doch buiten mijn voornemen.Vers 23 Blijf bij mij; vrees niet; want wie mijn ziel zoeken zal, die zal uw ziel zoeken; maar gij zult met mij in bewaring zijn.36 gij zult met mij in bewaring zijn. Dat is, God zal ons samen bewaren. Of, ik neem u in mijn bewaring. Anders, want gij zult bewaring [of wacht] bij mij zijn; dat is, gij zult bij mij zijn om de wacht te houden over den godsdienst, en ik zal in alle voorvallende zaken den Heere door u vragen. Zie 1 Sam. 30:7.

Lees heel 1 Samuël 22

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.