Advertentie

1 Samuël 21:1-10

10 verzen · 24 kanttekeningen · Statenvertaling

David naar Nob

Vers 1 Toen kwam David te Nob, tot den priester Achimelech; en Achimelech kwam bevende David tegemoet, en hij zeide tot hem: Waarom zijt gij alleen, en geen man met u?1 Nob, Dit was een priesterlijke stad, niet ver van Anathoth, in den stam Benjamins, 1 Kon. 2:26, Neh. 11:32, waar te dezer tijd de ark des verbonds was. Hierdoor is het geschied, dat daar zoveel priesters bij elkander waren, gelijk verhaald wordt, 1 Sam. 22:18.2 kwam bevende David tegemoet, Hebreeuws, beefde David tegemoet. Vergelijk boven, 1 Sam. 13:7, en 1 Sam. 16:4.3 alleen, Matth. 12:3,4, wordt vermeld van David en die met hem waren, van welken hier gezegd wordt dat David hun een zekere plaats te kennen gegeven had, alzo dat het schijnt, dat David alleen tot den priester gekomen is.Vers 2 En David zeide tot den priester Achimelech: De koning heeft mij een zaak bevolen, en zeide tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten, om dewelke ik u gezonden heb, en die ik u geboden heb; den jongelingen nu heb ik de plaats van zulk een te kennen gegeven.4 koning heeft mij een zaak bevolen, Dit is een leugen, uit menselijke zwakheid gesproten, om de rechte oorzaak zijner vlucht te bedekken. Zie Exod. 1:19.5 den jongelingen Dat is, de mannen, die mij van den koning bijgevoegd zijn.6 zulk een te kennen gegeven. Hebreeuws, Peloni Almoni. Zie Ruth 4:1. Anders, op de plaats van N.N. bescheiden. Anders, op de plaats van een zo en zo genoemd.Vers 3 En nu wat is er onder uw hand? Geef mij vijf broden in mijn hand, of wat er gevonden wordt.7 wat is er onder uw hand? Te weten, van eetwaren.Vers 4 En de priester antwoordde David, en zeide: Er is geen gemeen brood onder mijn hand; maar er is heilig brood, wanneer zich de jongelingen slechts van de vrouwen onthouden hebben.8 gemeen brood Het woord gemeen wordt hier en elders gesteld tegen het woord heilig, of geheiligde.9 maar Hij spreekt van de toonbroden, die voor den Heere gesteld en alzo den Heere geheiligd werden, van welke niemand mocht eten dan alleen de priesters. Zie Exod. 25:30, en Lev. 24:5.10 heilig brood, Hebreeuws, brood der heiligheid; dat is, heilig brood, en alzo onder 1 Sam. 21:5.11 de vrouwen Versta, van hun echte huisvrouwen, want hoewel het huwelijk eerlijk is bij allen, en een onbevlekt bed, Hebr. 13:4, nochtans, vanwege de zwakheid des mensen, vermengt zich lichtelijk de zonde hierin; daarom wil de Heere dat men op zekere voorvallende gelegenheid en tijden zich van de huwelijkse samenkomst zal onthouden. Zie 1 Sam. 19:15; 1 Cor. 7:5.12 hebben. Versta hierbij, zo zal ik u dat geven.Vers 5 David nu antwoordde den priester, en zeide tot hem: Ja trouwens, de vrouwen zijn ons onthouden geweest gisteren en eergisteren, toen ik uitging, en de vaten der jongelingen zijn heilig; en het is enigerwijze gemeen brood, te meer dewijl heden ander in de vaten zal geheiligd worden.13 gisteren en eergisteren, David wil zeggen: Wij zijn drie dagen op de reis, en alzo van onze vrouwen afgescheiden geweest.14 de vaten Dat is, hun lichaam, klederen, en al wat zij op de reis medegenomen hebben. En heilig is hier te zeggen, niet ontreinigd door het aanroeren van iets onreins.15 enigerwijze Hebreeuws, en deze weg is onheilig, of gemeen. David wil zeggen, gij behoeft zo grote zwarigheid niet te maken van mij en die bij mij zijn van deze broden te eten te geven; want ofschoon die heilig zijn zolang zij op de tafel voor den Heere staan, nochtans dewijl gij die nu moet veranderen en wegnemen, [of, ze al weggenomen en veranderd zijn] en verse broden in de plaats leggen, [of, gelegd mogen zijn], zo zal hun heiligheid nu zodanig niet zijn als tevoren; zij zullen enigszins gemeen worden, omdat de priesters met hun huisgezinnen die zullen eten, daar zij tevoren, voor des Heeren aangezicht liggende, van niemand mochten gegeten worden. Daarom, naar den regel en wet der liefde, [die meer is dan de ceremoniën] zo mogen ook wel anderen in den tijd van nood en bij gebrek van andere spijs, daarvan eten; gelijk Christus deze wet heeft uitgelegd, Matth. 12:4,7.16 vaten Van deze vaten zie Exod. 25:29.Vers 6 Toen gaf de priester hem dat heilige brood, dewijl er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht des Heeren weggenomen waren, dat men er warm brood leide, ten dage als dat weggenomen werd.17 warm brood legde, Dat is, vers, nieuw-gebakken brood.18 dage als dat weggenomen werd. Te weten, als de sabbatdag aankwam, gelijk er geboden wordt Lev. 24:8.Vers 7 Daar was nu een man van de knechten van Saul, te dienzelven dage opgehouden voor het aangezicht des Heeren, en zijn naam was Doëg, een Edomiet, de machtigste onder de herderen, die Saul had.19 opgehouden Of, zich opgesloten hebbende. Het zij vanwege den sabbat, op welken hij daar wilde rusten, of dat hij daar een tijdlang wilde blijven om te aanbidden, of om enige zijner beloften te volbrengen.20 voor het aangezicht des HEEREN, Te weten, in den tabernakel.21 Edomiet, Te weten, van geboorte, maar door aanneming der Israëlietische religie een Jodengenoot geworden. Anders, een Adomiet, dat is, van de stad Adama, gelegen in den stam Nafthali, Joz. 19:36.Vers 8 En David zeide tot Achimelech: Is hier onder uw hand geen spies of zwaard? Want ik heb noch mijn zwaard noch ook mijn wapenen in mijn hand genomen, dewijl de zaak des konings haastig was.Vers 9 Toen zeide de priester: Het zwaard van Goliath, den Filistijn, denwelken gij sloegt in het eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed, achter den efod; indien gij u dat nemen wilt, zo neem het, want hier is geen ander dan dit. David nu zeide: Er is zijns gelijke niet; geef het mij.22 achter den efod; Alzo, dat het bij den efod in de tent bewaard en opgesloten lag. Anders, nadat hij [Achimelech] den efod aangedaan had, en den Heere raad gevraagd had. Zie 1 Sam. 22:10,13,15. Zie gelijke manier van spreken Gen. 24:67, en Deut. 24:20,21.Vers 10 En David maakte zich op, en vluchtte te dien dage van het aangezicht van Saul; en hij kwam tot Achis, den koning van Gath.23 Achis, Deze koning wordt Ps. 34:1 Abimelech genoemd, Achis was zijn eigen naam; maar Abimelech was een algemene naam van alle koningen der Filistijnen. Zie Gen. 20,Gen. 21,Gen. 26.24 Gath. In der Filistijnen land gelegen. Zie 1 Sam. 5:8, en 1 Sam. 17:4.

Lees heel 1 Samuël 21

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.