David wordt de schoonzoon van Saul
Vers 17 Derhalve zeide Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleenlijk, wees mij een dapper zoon, en voer den krijg des Heeren. Want Saul zeide: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand der Filistijnen tegen hem zij.26 mijn grootste dochter Merab Omdat Saul David niet openlijk durfde doden, en God hem in den krijg bewaarde, zo zoekt hij hem, onder een schijn van liefde en vriendschap, in het net te krijgen en om te brengen.27 een dapper zoon, Hebreeuws, een zoon der dapperheid.28 den krijg des HEEREN. Dat is, de oorlogen des Israëlietischen volks, die zij voeren om de eer Gods voor te staan tegen de afgodische heidenen.29 zeide: Te weten, bij zichzelven in zijn hart.30 Dat mijn hand niet tegen hem zij, Dat is, ik zal hem met mijn eigen handen niet doden, maar ik zal hem door de hand der Filistijnen laten omkomen. Dit bedacht Saul daarom, opdat de kwade wil des volks, hetwelk David liefhad, op hem niet vallen zou.Vers 18 Doch David zeide tot Saul: Wie ben ik, en wat is mijn leven, en mijns vaders huisgezin in Israël, dat ik des konings schoonzoon zou worden?31 Wie ben ik, Hij wil zeggen: Ik ben veel te gering, dat ik eens konings schoonzoon zou worden. Aldus spreekt David ook 2 Sam. 7:18.Vers 19 Het geschiedde nu ten tijde als men Merab, de dochter van Saul, aan David geven zou, zo is zij aan Adriël, den Meholathiet, ter vrouw gegeven.32 Adriël, Hij is geweest de zoon van Barzillaï den Efraïmiet, 2 Sam. 21:8, alwaar gezegd wordt dat de vijf kinderen, die hij Merab gewonnen heeft, van de Gibeonieten zijn gehangen.33 den Meholathiet, Dat is, die te Mehola geboren was. Deze stad werd Abel-Mehola genoemd,Vers 20 Doch Michal, de dochter van Saul, had David lief. Toen dat Saul te kennen werd gegeven, zo was die zaak recht in zijn ogen.Vers 21 En Saul zeide: Ik zal haar hem geven, dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zeide Saul tot David: Met de andere zult gij heden mijn schoonzoon worden.34 dat zij hem tot een valstrik zij, Zie onder, 1 Sam. 18:25.35 andere Hebreeuws, twee; dat is, de tweede. Zie boven, 1 Sam. 13:1.36 mijn schoonzoon worden. Dat is, binnen korten tijd, of, op dien dag; verstaande een zekeren en bestemden dag, dien Saul daartoe bestemd had, gedurende welken tijd David zijn bruidsgift van honderd voorhuiden der Filistijnen zou opbrengen. Zie hieronder, 1 Sam. 18:26. Doch Sauls hoop was, dat David, zich hiertoe schikkende, den een of den anderen tijd zou omkomen.Vers 22 En Saul gebood zijn knechten: Spreekt met David in het heimelijke, zeggende: Zie, de koning heeft lust aan u, en al zijn knechten hebben u lief; word dan nu des konings schoonzoon.37 in het heimelijke, Alsof hij zeide: Houd u niet, dat gij zulks door mijn bevel doet, maar alsof gij het uit uzelven deedt, zonder mijn kennis.Vers 23 En de knechten van Saul spraken deze woorden voor de oren van David. Toen zeide David: Is dat licht in ulieder ogen, des konings schoonzoon te worden, daar ik een arm en verachtzaam man ben?38 daar ik een arm en verachtzaam man ben? Hij wil zeggen: Dewijl ik een arm gezel ben, in vergelijking met den koning, zo heb ik de macht niet om een bruidsgift te geven, gelijk eens konings dochter toestaat. Want de mannen ontvingen te dien tijde geen bruidsgift van de vrouw, maar zij gaven de bruidsgiften. Zie Gen. 34:12; Exod. 22:16,17. Deze bruidsgift was tenminste vijftig sikkelen zilvers, Deut. 22:29. Dat is wat meer dan twaalf en een half onsen zilvers, dat is twaalf rijksdaalders en een halve (f 31,25).Vers 24 En de knechten van Saul boodschapten het hem, zeggende: Zulke woorden heeft David gesproken.39 Zulke woorden heeft David gesproken. Hebreeuws, naar deze woorden.Vers 25 Toen zeide Saul: Aldus zult gijlieden tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan den bruidschat, maar aan honderd voorhuiden der Filistijnen, opdat men zich wreke aan des konings vijanden. Want Saul dacht David te vellen door de hand der Filistijnen.40 Want Saul dacht David te vellen Dat is, Saul vermoedde dat David eer in den krijg zou omkomen, eer hij honderd Filistijnen zou ombrengen.Vers 26 Zijn knechten nu boodschapten David deze woorden. En die zaak was recht in de ogen van David, dat hij des konings schoonzoon zou worden; maar de dagen waren nog niet vervuld.41 de dagen waren nog niet vervuld. Te weten, die dagen, die bestemd waren om de bruiloft te houden, of om de levering der voorhuiden te doen.Vers 27 Toen maakte zich David op, en hij en zijn mannen gingen heen, en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hun voorhuiden, en men leverde ze den koning volkomenlijk, opdat hij schoonzoon des konings worden zou. Toen gaf Saul hem zijn dochter Michal ter vrouw.42 volkomenlijk, Dat is, in vol getal.Vers 28 En Saul zag en merkte, dat de Heere met David was; en Michal, de dochter van Saul, had hem lief.Vers 29 Toen vreesde zich Saul nog meer voor David; en Saul was David een vijand al zijn dagen.43 al zijn dagen. Dat is, zolang als Saul leefde.Vers 30 Als de vorsten der Filistijnen uittogen, zo geschiedde het, als zij uittogen, dat David kloeker was, dan al de knechten van Saul; zodat zijn naam zeer geacht was.44 uittogen, Te weten, om krijg te voeren tegen de Israëlieten.