David bij Saul
Vers 14 En de Geest des Heeren week van Saul; en een boze geest van den Heere verschrikte hem.28 een boze geest van den HEERE Dit was een dolheid of beroering van zinnen, welke de Satan in Saul verwekte, door Gods toelating en regering, waarmede Hij Saul rechtvaardiglijk strafte.29 verschrikte hem. Of, beroerde hem, maakte hem ongerust.Vers 15 Toen zeiden Sauls knechten tot hem: Zie toch, een boze geest Gods verschrikt u.30 Gods verschrikt u. Van God gezonden om zijn rechtvaardig oordeel uit te voeren.Vers 16 Onze heer zegge toch tot uw knechten, die voor uw aangezicht staan, dat zij een man zoeken, die op de harp spelen kan; en het zal geschieden, als de boze geest Gods op u is, dat hij met zijn hand spele, dat het beter met u worde.31 tot uw knechten, Dat is, ons.32 die voor uw aangezicht staan, Dat is, die tot uw dienst vaardig en bereid staan.33 harp spelen kan; Zie Gen. 4:21.34 de boze geest Gods op u is, Zie 1 Sam. 16:15.35 dat het beter met u worde. Dat is, opdat uw hart en gemoed tot rust en stilte kome, de melancholie door de muziek verdreven of geminderd zijnde.Vers 17 Toen zeide Saul tot zijn knechten: Ziet mij toch naar een man uit, die wel spelen kan, en brengt hem tot mij.Vers 18 Toen antwoordde een van de jongelingen, en zeide: Zie, ik heb gezien een zoon van Isaï, den Bethlehemiet, die spelen kan en hij is een dapper held, en een krijgsman, en verstandig in zaken, en een schoon man, en de Heere is met hem.36 zaken, Of, woorden. Anders, een welsprekend man.37 de HEERE is met hem. Dat is, hij is gezegend of gelukkig in al zijn aanslagen.Vers 19 Saul nu zond boden tot Isaï, en zeide: Zend uw zoon David tot mij, die bij de schapen is.Vers 20 Toen nam Isaï een ezel met brood, en een lederen zak met wijn, en een geitenbokje; en hij zond ze door de hand van zijn zoon David aan Saul.38 een ezel met brood, Hebreeuws, een ezel des broods; dat is, een ezel met brood beladen.Vers 21 Alzo kwam David tot Saul, en hij stond voor zijn aangezicht; en hij beminde hem zeer, en hij werd zijn wapendrager.39 hij stond voor zijn aangezicht; Dat is, hij bleef aan het hof in den dienst des konings. Alzo werd ook het woord staan genomen 1 Sam. 16:22. Zie de aantekeningen Deut. 1:38.Vers 22 Daarna zond Saul tot Isaï, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezicht staan, want hij heeft genade in mijn ogen gevonden.40 staan, Gelijk 1 Sam. 16:21.41 hij heeft genade in mijn ogen gevonden. Zie de aantekeningen Gen. 18:3.Vers 23 En het geschiedde, als de geest Gods over Saul was, zo nam David de harp, en hij speelde met zijn hand; dat was voor Saul een verademing, en het werd beter met hem, en de boze geest week van hem.42 geest Gods over Saul was, Versta, dien bozen geest, waarvan 1 Sam. 16:14,15 gesproken is.43 dat was voor Saul een verademing, Dat is, die verschrikkingen en kwellingen des bozen geestes hielden op als David speelde. God heeft door zijn voorzienigheid deze zaak alzo geregeerd en beschikt, opdat David in het hof des konings zou opgetrokken worden, om hem alzo de baan te openen en den weg te bereiden tot het koninkrijk, waartoe Hij hem verkoren en alrede gezalfd had.