Sauls geslacht
Vers 47 Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf.84 Moab, Dat is, de Moabieten.85 Edom, Dat is, de Edomieten.86 koningen van Zoba, Het land van dezen lag van Batanea tot de Eufraat. Zie wijders op 2 Sam. 10:6.87 oefende hij straf. Dat is, God gebruikte hem als een instrument om de vijanden zijner kerk te straffen. Anders, maakte hij het kwalijk, of deed hij kwaad, beroerde hij hen, plaagde hij hen. Te weten, de vijanden beschadigende.Vers 48 En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand desgenen, die hem beroofde.88 handelde dapper, Anders, hij maakte, of, verzamelde een heir.89 sloeg de Amalekieten, Hiervan wordt breder gesproken onder 1 Sam. 15.Vers 49 De zonen van Saul nu waren: Jonathan, en Isvi, en Malchi-sua; en de namen zijner twee dochteren waren deze: de naam der eerstgeborene was Merab, en de naam der kleinste Michal.90 Isvi, en Malchi-sua; Hij wordt onder, 1 Sam. 31:2, genoemd Abinadab, als ook 1 Kron. 8:33, en 1 Kron. 10:2.91 kleinste Michal. Of, jongste.Vers 50 En de naam van Sauls huisvrouw was Ahinoam, een dochter van Ahimaäz; en de naam van zijn krijgsoverste was Abi-ner, een zoon van Ner, Sauls oom.92 Abi-ner Anders, Abner.Vers 51 En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiël.93 Abiël. Hij wordt Ner genoemd 1 Kron. 8:33. Zie boven, 1 Sam. 9:1.Vers 52 En er was een sterke krijg tegen de Filistijnen al de dagen van Saul; daarom alle helden en alle kloeke mannen, die Saul zag, die vergaderde hij tot zich.94 alle kloeke mannen, Hebreeuws, alle zonen der kloekheid, of, der sterkte.