1 Kronieken 7:13-40

Vers 13 De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.Vers 14 De kinderen van Manasse waren Asriel, welken de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead.Vers 15 Machir nu nam tot een vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Maacha; en de naam des tweeden was Zelafead. Zelafead nu had dochters.Vers 16 En Maacha, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naams zijns broeders was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem.Vers 17 De kinderen van Ulam nu waren Bedan; deze zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse.Vers 18 Belangende nu zijn zuster Molecheth, zij baarde Ishod, en Abiezer, en Mahela.Vers 19 De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.Vers 20 En de kinderen van Efraim waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath;Vers 21 En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthelah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen.Vers 22 Daarom droeg Efraim, hun vader, vele dagen leed; en zijn broeders kwamen om hem te troosten.Vers 23 Daarna ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Beria, omdat zij in ellende was in zijn huis.Vers 24 Zijn dochter nu was Seera, die bouwde het lage en het hoge Beth-horon, en Uzzen-seera.Vers 25 En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan;Vers 26 Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;Vers 27 Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.Vers 28 En hun bezitting en hun woning was Beth-el, en haar onderhorige plaatsen; en tegen het oosten Naaran, en tegen het westen Gezer en haar onderhorige plaatsen; en Sichem en haar onderhorige plaatsen, tot Gaza toe, en haar onderhorige plaatsen.Vers 29 En aan de zijden der kinderen van Manasse was Beth-sean en haar onderhorige plaatsen, Thaanach en haar onderhorige plaatsen, Megiddo en haar onderhorige plaatsen, Dor en haar onderhorige plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, den zoon van Israel, gewoond.Vers 30 De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.Vers 31 De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.Vers 32 En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.Vers 33 De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet.Vers 34 En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.Vers 35 En de kinderen van zijn broeder Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal.Vers 36 De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,Vers 37 Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.Vers 38 De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.Vers 39 En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanniel, en Rizja.Vers 40 Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in den krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen.

Advertentie

Liever lezen zonder advertenties? Lees meer over Plus