1 Kronieken 2:12-55
Vers 12 En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isai,Vers 13 En Isai gewon Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, den tweede, en Simea, den derde,Vers 14 Nethaneel, den vierde, Raddai, den vijfde,Vers 15 Ozem, den zesde, David, den zevende.Vers 16 En hun zusters waren Zeruja en Abigail. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-el; drie.Vers 17 En Abigail baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaeliet.Vers 18 Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.Vers 19 Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.Vers 20 En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezaleel.Vers 21 Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.Vers 22 Segub nu gewon Jair; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead.Vers 23 En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken van Jair, van dezelve, met Kenath en haar onderhorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, den vader van Gilead.Vers 24 En na den dood van Hezron, in Kaleb-efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Asschur, de vader van Thekoa.Vers 25 De kinderen van Jerahmeel nu, den eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia.Vers 26 Jerahmeel had nog een andere vrouw, welker naam was Atara; zij was de moeder van Onam.Vers 27 En de kinderen van Ram, den eerstgeborene van Jerahmeel waren Maaz, en Jamin, en Eker.Vers 28 En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.Vers 29 De naam nu der huisvrouw van Abisur was Abihail: die baarde hem Achban en Molid.Vers 30 En de kinderen van Nadab waren Seled en Appaim; en Seled stierf zonder kinderen.Vers 31 En de kinderen van Appaim waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.Vers 32 En de kinderen van Jada, den broeder van Sammai, waren Jether en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.Vers 33 De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.Vers 34 En Sesan had geen zonen, maar dochteren. En Sesan had een Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha.Vers 35 Sesan nu gaf zijn dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai.Vers 36 Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad,Vers 37 En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,Vers 38 En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria,Vers 39 En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,Vers 40 En Elasa gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum,Vers 41 En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama.Vers 42 De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.Vers 43 De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.Vers 44 Sema nu gewon Raham, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.Vers 45 De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-zur.Vers 46 En Efa, het bijwijf van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.Vers 47 De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saaf.Vers 48 Uit het bijwijf Maacha gewon Kaleb: Seber en Tirhana.Vers 49 En de huisvrouw van Saaf, den vader van Madmanna, baarde Seva, den vader van Machbena, en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.Vers 50 Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-jearim;Vers 51 Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-gader.Vers 52 De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth.Vers 53 En de geslachten van Kirjath-jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.Vers 54 De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-joab, en de helft der Manathieten, en de Zorieten.Vers 55 En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.