1 Kronieken 11:26-40
Vers 26 De helden nu der heiren waren: Asahel, de broeder van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;Vers 27 Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;Vers 28 Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;Vers 29 Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;Vers 30 Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;Vers 31 Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;Vers 32 Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;Vers 33 Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;Vers 34 Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;Vers 35 Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;Vers 36 Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;Vers 37 Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;Vers 38 Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;Vers 39 Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;Vers 40 Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;