De vrouwen in de gemeente
Vers 1 Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.1 Christus. Namelijk navolger ben; namelijk die het volmaaktste voorbeeld is van alle deugden, zodat men de leraars wel moet navolgen, maar zo ver als zij Christus navolgen.Vers 2 En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb.2 in alles mijner Of, dat gij al mijne dingen, dat is, leringen en vermaningen, gedenkt.3 de inzettingen, Gr. overgevingen, of overleveringen, waardoor dan verstaan worden, gelijk hij zelf daarna verklaart, enige zijner ordinantiën niet die artikelen des geloofs zijn, maar die aangingen de uiterlijke wijze, die in de vergaderingen en het plegen van den godsdienst behoorden gehouden te worden.Vers 3 Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.4 dat gij weet Dat is, dat gij let op de orde van onderwerping, die God onder de mensen in Zijn geestelijk lichaam gesteld heeft, opdat gij niet doet wat daartegen strijdt.5 het hoofd is Dat is, over Hem gesteld, heerschappij over Hem hebbende, gelijk het hoofd doet boven en over de andere leden.6 eens iegelijken mans, Namelijk behorende tot Zijn geestelijk lichaam, want van dat wordt hier eigenlijk gehandeld. Niet dat Hij ook niet zou zijn het hoofd der vrouw, want Hij is het hoofd van Zijn gehele lichaam; Ef. 5:23.7 God het hoofd van Namelijk God de Vader, onder wien de Zoon Gods Jezus Christus staat, niet ten aanzien van Zijn goddelijke natuur, naar welke Hij den Vader in waardigheid en hoogheid even gelijk is, Joh. 10:30; Filipp. 2:6, maar naar Zijn Middelaarsambt, naar hetwelk Hij om onzentwil zichzelven den Vader heeft onderworpen en minder is dan de Vader, Joh. 14:28; gelijk een gezant onder de mensen als zodanig minder is dan degene die hem zendt, hoewel zij van nature evengelijk zijn.Vers 4 Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd;8 die bidt of Dat is, het algemeen gebed in de vergaderingen òf voorzegt, òf aanhoort en mede bidt.9 profeteert, Of de Schriften der profeten in de vergaderingen voorleest en uitlegt, 1 Cor. 14:3,29, enz. of enige toekomende dingen voorzegt uit goddelijke openbaring. Want die gave werd toen sommigen van God gegeven tot troost van de gemeente, 1 Cor. 14:26; Ef. 4:11; of die zodanige uitleggingen in de vergaderingen aanhoort.10 iets op het Namelijk enig deksel, als daar is het lang haar, 1 Cor. 11:14, of een hoed, sluier, of dergelijke, 1 Cor. 11:7, gelijk de heidenen hunne afgoden met gedekte hoofden plachten te dienen. Zie Vergil. Aen. 3, Sueton. in Vitell.11 die onteert Namelijk overmits de ontdekking van het hoofd toen een teken was van macht en heerschappij, gelijk nu hedendaags daarentegen degenen, die macht over anderen hebben, hunne hoofden zullen gedekt houden, en die onder anderen staan voor hen hunne hoofden zullen ontdekken. Doch in dezen allen moet men altijd zien op het gebruik van verscheidene tijden en landen, en wat daarin eerlijk en stichtelijk is; 1 Cor. 14:40; Filipp. 4:8.Vers 5 Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware.12 vrouw, die Namelijk die getrouwd is en onder de macht staat van haren man. Zie 1 Cor. 11:3. Hoewel de anderen hier niet uitgesloten worden.13 bidt of Dat is, die in de vergadering de algemene gebeden, of de uitlegging der profetische schriften aanhoort; want dat ene vrouw openlijk in de vergadering de gebeden zou doen, of de Schrift uitleggen, wordt haar verboden; 1 Cor. 14:34,35; 1 Tim. 2:12, of die met buitengewone gave van bidden of toekomende dingen te voorzeggen, begaafd zijnde, dezelve in de vergadering zal willen voorstellen, daartoe door een goddelijk ingeven gedreven zijnde. Zie Joël. 2:28; Luk. 2:36; Hand. 21:9.14 onteert haar Of, beschaamt haar hoofd, doet haar hoofd schande aan; namelijk omdat zij door dat teken schijnt te willen ontkennen, dat zij onder den man staat; en ook enigszins dat Christus niet zou zijn het hoofd Zijner gemeente. Zie 1 Cor. 11:4.15 een en hetzelfde Dat is, van enerlei onbetamelijkheid, namelijk als zij het deksel aflegt, dat gemaakt wordt, dat is, zoveel als zij het natuurlijke deksel aflegde.Vers 6 Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke.16 dat zij ook geschoren Dat is, het is evenveel en even schandelijk, alsof zij geschoren ware.17 geschoren te zijn Namelijk met de schaar.18 afgesneden te Namelijk met het scheermes.Vers 7 Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.19 het beeld en Namelijk ten aanzien van zijne macht en heerschappij, die hij heeft over de vrouw. Want anderszins, ten aanzien van de heiligheid en gerechtigheid, is de vrouw zoveel naar het beeld van God geschapen als de man; Gen. 1:26,27.20 heerlijkheid Gods Namelijk omdat God in des mans heerschappij over de vrouw, de heerlijkheid en het gebied doet blijken, dat Hij heeft over Zijne schepselen.21 de heerlijkheid des mans. Namelijk omdat de onderdanigheid der vrouw onder den man een bewijs is van de macht, het gezag en de uitnemendheid des mans boven de vrouw.Vers 8 Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit den man.22 uit de vrouw niet, Namelijk eerstmaal van God geschapen. Zie Gen. 2:21,22. Anderszins worden de mannen nu naar den loop der natuur van vrouwen geboren; Job 14:1. Zie ook 1 Cor. 11:12.Vers 9 Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man.23 om de vrouw, Namelijk om haar onderworpen te zijn en alzo te dienen.24 om den man. Namelijk om hem tot zijn dienst onderworpen te zijn, en ene hulp te wezen, die bij hem zou zijn; Gen. 2:18.Vers 10 Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil.25 ene macht op het Dat is, een deksel, tot een teken dat zij staat onder de macht en het gebied van den man. Zie Gen. 24:65; een wijze van spreken, waardoor het teken toegeschreven wordt de naam van de betekende zaak, hetwelk in de sacramenten ook zeer gebruikelijk is.26 om der engelen wil. Dit verstaan sommigen van de leraars der gemeente, die in de Schrift ook engelen, dat is, boden of gezanten Gods genaamd worden, Mal. 2:7; Openb. 1:20. Doch kan bekwamelijker verstaan worden van de dienstbare geesten, die vanwege hun ambt eigenlijk engelen doorgaans genaamd worden. Want dewijl dezelve in de vergaderingen der gelovigen tegenwoordig zijn, Ps. 34:8, en Matth. 18:10, en door onordelijkheid of ongeschiktheid, die daar zou mogen gepleegd worden, bedroefd worden, zo vermaant de apostel de vrouwen, dat zij deze heilige geesten ook behoren te ontzien, om hen hierin niet te bedroeven.Vers 11 Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heere.27 Nochtans is noch Dit doet de apostel daarbij, opdat om dezer heerschappij wil noch de mannen zich verhovaardigen, noch de vrouwen zich bedroeven zouden.28 in den Heere. Namelijk Jezus Christus, aan wien, ten aanzien van Zijne genade en verdiensten, de vrouwen zowel gemeenschap hebben als de mannen. Zie Gal. 3:28.Vers 12 Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzo is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God.29 uit den man is, Zie 1 Cor. 11:8.30 door de vrouw; Namelijk overmits hij van ene vrouw ontvangen en geboren wordt, naar de natuurlijke geboorte. Waarom hij de vrouw ook niet behoort te verachten, maar in ere te houden en lief te hebben, hoewel hij over haar heerschappij heeft.31 alle dingen zijn Dat is, zowel de vrouw als de man, zijn beiden van God geschapen; en zowel de onderdanigheid der vrouw, als de heerschappij des mans zijn beide van God geordineerd. Anderszins is het ook in het algemeen waar, dat alle schepselen van God zijn. Zie Rom. 11:36; 1 Cor. 8:6.Vers 13 Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde?32 Oordeelt gij onder Of, oordeelt bij uzelven. Gr. in uzelven. De apostel wil tonen dat deze zaak, die hij hier drijft, zo klaar en bekend is dat hij de Corinthiërs zelf tot rechters daarvan wel wil stellen; gelijk 1 Cor. 10:15.Vers 14 Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is?33 de natuur zelve Namelijk die onder anderen het vrouwelijk geslacht van het mannelijke daarmede ook onderscheiden heeft, dat de vrouwen het haar van het hoofd langer en dichter wast dan den mannen, en dat het haar dient tot een sieraad en deksel.34 hem ene oneer is? Namelijk omdat dit lange haar op zijn hoofd als een deksel is, en een teken van onderdanigheid, daar hij het hoofd is der vrouw, en daarom zulk een teken niet behoort te dragen, waarmede hij zijne heerschappij schijnt te verzaken. Daar benevens, omdat hij zich alzo gelijk als herschept in ene vrouw, dragende een sieraad, dat de vrouwen eigen is, en alzo gelijk als zijn geslacht verzaakt, hetwelk God in de wet verbiedt; Deut. 22:5.Vers 15 Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven?35 een deksel haar is Gr. een omwerpsel; namelijk om haar te dienen tot een deksel, en volgens dien ook tot een teken van onderdanigheid, hetwelk dan eer voor haar is, dat zij dezelve hare onderdanigheid, volgens de ordinantie Gods, daarmede bekent.Vers 16 Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet, noch de Gemeenten Gods.36 twistgierig te zijn, Of, twist lief te hebben; dat is, die tegen deze zaak en redenen nog veel zou willen twisten, met hem willen wij niet verder twisten.37 zulke gewoonten niet Namelijk om te twisten over zaken, die zo klaar en bekend zijn.