Israël als waarschuwend voorbeeld
Vers 1 En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;1 onze vaders allen Namelijk die met Mozes uit Egypte zijn getrokken.2 de wolk waren, Namelijk die zich zette tussen het leger der Egyptenaars en dat der Israëlieten, en die de Israëlieten bedauwde en beschermde toen zij door de Rode zee trokken; Exod. 14:19, enz; Ps. 105:39. Hetwelk Paulus hier betuigt een tegenbeeld geweest te zijn van onzen doop, gelijk Petrus spreekt van de verlossing van Noach in de ark uit het midden van den zondvloed; 1 Petr. 3:21.Vers 2 En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;3 in Mozes Dat is, door Mozes, of door Mozes' dienst. Of, in de leer van Mozes, gelijk Hand. 19:3 gezegd wordt dat sommigen gedoopt zijn in den doop van Johannes, dat is, in de leer van Johannes, die door zijn doop werd bevestigd.Vers 3 En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben;4 dezelfde Namelijk in de tekenen, of, die een zelfde zaak betekenden, en dat niet alleen met elkander, maar ook met ons, hetwelk daaruit blijkt, dat Paulus hier den naam van den doop gebruikt, en hierna zegt dat de steenrots was Christus, en omdat anderszins de sluitreden van Paulus niet vast zou zijn, ten ware zij enerlei spijs in de betekenis met ons hadden gegeten.5 geestelijke Namelijk het manna, hetwelk een geestelijke spijs genaamd wordt, omdat het den Israëlieten diende niet alleen tot een lichamelijk voedsel, maar ook om te zijn tot een buitengewoon teken van Christus' vlees, en derhalve een geestelijke beduiding op Christus had, gelijk Christus in het brede verklaart, Joh. 6, en gelijk hierna, om dezelfde reden, de steenrots geestelijk genaamd wordt.Vers 4 En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.6 die volgde, Namelijk den Israëlieten, met de stromen of beken die uit haar vloten, nadat zij van Mozes was geslagen; Num. 20:8; Ps. 105:41.7 was Christus. Dat is, was een teken en voorbeeld van Christus, die van den Vader ter dood om onzentwil geslagen zijnde, ons de stromen des levenden waters zou uitgeven; Joh. 7:38. En dit is ene wijze van spreken, gebruikelijk in de sacramenten, gelijk het brood en den wijn in het Avondmaal het lichaam en bloed van Christus worden genaamd, omdat zij daarvan een teken en zegel zijn. Dat sommigen willen zeggen, dat de zin zou zijn: Christus was de steenrots, strijdt niet alleen met de orde der woorden van den tekst, maar ook met de zaak zelve, overmits al de Israëlieten niet kunnen gezegd worden uit Christus gedronken te hebben, alzo velen van hen niet geloofden, en God in hen geen welgevallen gehad heeft, 1 Cor. 10:5, en Hebr. 4:2.Vers 5 Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.8 ter nedergeslagen Namelijk om huns ongeloofs wil, gelijk Paulus verklaart Hebr. 3:17,18,19.Vers 6 En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.9 tot voorbeelden, Dat is, tot voorbeelden en waarschuwingen, namelijk dat wij, zo wij dergelijke zonden navolgen, niettegenstaande wij deze heilige tekenen ook zullen deelachtig geweest zijn, dezelfde straf, die hun daarom overkomen is, ook niet zullen ontgaan. Zie van dit woord 1 Cor. 10:11; Filipp. 3:17; 1 Tim. 4:12; Tit. 2:7.10 geen lust Gr. geen begeerders zijn van kwade dingen; namelijk van afgoderij, hoererij en dergelijke, welke hierna verhaald worden.Vers 7 En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.11 sommigen van Dat is, een groot deel van hen, namelijk die met het gegoten kalf afgoderij bedreven.12 om te spelen. Dat is, om te dansen, lachen en reien, gelijk de afgodendienaars, en hun afgodische maaltijden, gemeenlijk plachten te doen; Exod. 32:6.Vers 8 En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend.13 gehoereerd hebben, Namelijk in het land der Midianieten, door den raad van Bileam tot afgoderij en hoererij verlokt zijnde; Num. 25.14 drie en twintig Num. 25:9 wordt gezegd vier en twintig duizend. Doch het kan zijn dat er tussen de drie en vier en twintig duizend gebleven zijn, waarvan de apostel het minder getal heeft gehouden. Anderen menen dat er drie en twintig duizend met het zwaard zouden gedood zijn, naar het voorbeeld van den ijver van Pinehas, en dat de andere duizend van de voornaamsten daarna zouden gehangen zijn door het bevel van Mozes.Vers 9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield.15 verzoeken, Dat is, tergen, of zijne macht in het straffen der ondankbaren in twijfel trekken, gelijk de Israëlieten, Num. 21:5, als zij met het manna niet tevreden waren, noch met de wateren, die hun de Heere wonderbaarlijk verleende; en gelijk de Corinthiërs, die de maaltijden der afgodendienaren, die vol aanstoot en gevaar waren, liever volgden dan den eenvoudigen kost, dien de Heere hun tehuis verleende.16 verzocht hebben, Namelijk Christus, dien hij terstond genoemd had. Want het was de engel des verbonds, de eeuwige Zoon Gods, die hen in de woestijn geleidde, en dien zij tergden. Zie Exod. 14:19, en Exod. 23:20, en Jes. 63:9.Vers 10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.17 gemurmureerd hebben, De Israëlieten hebben in de woestijn menigmaal tegen God gemurmureerd, wanneer hun iets ontbrak, of wanneer zij niet tevreden waren met de weldaden, die God hun deed; maar hier wordt inzonderheid gezien op de geschiedenissen, Num. 11:4,33, wanneer zij vlees begeerden en daarover van God door verscheidene plagen vernield werden; en Num. 16:1,2, wanneer Korach met zijnen hoop tegen Mozes en Aäron murmureerden en sommigen zijn verbrand, sommigen verzonken in de aarde.18 van den verderver. Deze naam wordt wel in deze geschiedenis niet gevonden, maar wordt van Paulus daarbij gevoegd, òf om de strengheid van God zelf in deze straffen hierdoor te verstaan, òf een engel, dien God tot deze vernieling heeft gebruikt, gelijk Hij gedaan heeft Exod. 12:23, en Jes. 37:36.Vers 11 En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.19 tot voorbeelden: Dat is, voorbeelden der straffen over de zodanigen. Zie 1 Cor. 10:6.20 de einden der Dat is, de laatste tijden, in welke de genade Gods krachtiger is en de boosheid meerder; waarom wij ons door de genade Gods te meer moeten wachten; 1 Tim. 4:1; 2 Petr. 3:3.21 gekomen zijn. Gr. ontmoeten, of ontmoet zijn.Vers 12 Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.22 die meent te staan, Dat is, die zich laat dunken zo vast te zijn in het geloof, dat hij in zulke zonden niet zou vervallen.23 zie toe, dat hij Dat is, zij zorgvuldig dat hij daar door niet worde ten val gebracht, om die zonden en ergernissen te begaan, waarover God de Israëlieten gestraft heeft. Waaruit blijkt dat de apostel de gelovigen niet vermaant tot vertwijfeling aan hunne zaligheid, tegen zijn eigen leer, Rom. 5:1, en Rom. 8:31, maar dat hij de eigendunkelijken alleen waarschuwt, om op zichzelven niet te steunen en de oorzaken te vlieden, waardoor zij ten val mochten gebracht worden. Want de ware gelovigen, wanneer zij uit zwakheid zouden mogen vallen, hebben de belofte van wederoprichting. Zie Ps. 37:24, en 1 Cor. 10:3 alhier.Vers 13 Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.24 gene verzoeking Namelijk waardoor gij gebracht zijt tot de gemeenschap der afgodendienaars en van hunne maaltijden.25 dan menselijke; Dat is, die uit uw menselijke zwakheid en uit vrees van de ongenade der afgodendienaars, welken u daartoe verzocht hebben, gesproten is. Hij troost hen hiermede, en vermaant hen in het toekomende tot meerdere standvastigheid, dewijl God ons deze belofte doet, dat Hij de Zijnen niet zal laten verzoeken boven hun vermogen.26 boven hetgeen Dat is, boven de kracht, die gij door Gods Geest alrede hebt ontvangen. Want uit onszelven vermogen wij niets; Joh. 15:5; 2 Cor. 3:5; Filipp. 4:13.27 met de verzoeking Namelijk die Hij over u zal laten komen, alwaar zij vrij meerder dan tot nog toe geschied is; Joh. 16:33.28 geven, opdat Gr. maken.