Strijd van Achab en Jósafat tegen de Syriërs
Vers 1 En zij zaten drie jaren stil, dat er geen krijg was tussen Syrië en tussen Israël.1 zij zaten Namelijk, de Syriërs en de Israëlieten, tussen welken tevoren oorlog was geweest. Zie boven, 1 Kon. 20.2 drie jaren Deze jaren zijn te rekenen van de tweede nederlaag, die de Syriërs in den oorlog tegen de Israëlieten gekregen hadden, waarvan te zien is boven, 1 Kon. 20:29, enz.Vers 2 Maar het geschiedde in het derde jaar, als Josafat, de koning van Juda, tot den koning van Israël afgekomen was,3 den koning van Israël Namelijk, Achab, met welken hij niet alleen in vrede stond, onder, 1 Kon. 22:45, maar ook in zwagerschap getreden was, door het huwelijk van zijn zoon Joram met Athalia, de dochter van Achab, 2 Kon. 8:18, en 2 Kron. 18:1.Vers 3 Dat de koning van Israël tot zijn knechten zeide: Weet gij, dat Ramoth in Gilead onze is? En wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van den koning van Syrië.4 knechten zeide: Zie Gen. 20:8.5 Ramoth Zie van deze stad Deut. 4:43, en boven, 1 Kon. 4:13.6 onze is? Want deze stad behoorde tot het land der Israëlieten, zijnde gelegen in den stam van Gad, en Benhadad, wiens vader haar den Israëlieten afgenomen had, had ze beloofd hun weder te geven; boven, 1 Kon. 20:34.7 zijn stil, Hebreeuws, zwijgen; doch het Hebreeuwse woord betekent nalating, niet allen van spreken, maar ook van iets te doen, gelijk Exod. 14:14; Richt. 18:9; Jes. 64:12.Vers 4 Daarna zeide hij tot Josafat: Zult gij met mij trekken in den strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zeide tot den koning van Israël: Zo zal ik zijn gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.8 Zo zal ik zijn Hebreeuws, gelijk mij, gelijk u, gelijk mijn volk, gelijk uw volk, gelijk mijn paarden, gelijk uw paarden; alzo 2 Kon. 3:7, en 2 Kron. 18:3. Dat is, ik zal met u in dezen strijd trekken, en zo getrouw zijn dat gij moogt steunen op mijn persoon als op den uwe, op mijn volk als op het uwe, enz.Vers 5 Verder zeide Josafat tot den koning van Israël: Vraag toch als heden naar het woord des Heeren.9 Vraag toch Dat is, verneem door enigen profeet des Heeren of het ook zijn wil is dat wij dezen oorlog aannemen, en of Hij ons daarin voorspoed en victorie geven zal.Vers 6 Toen vergaderde de koning van Israël de profeten, omtrent vierhonderd man, en hij zeide tot hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want de Heere zal ze in de hand des konings geven.10 de profeten, Het schijnt dat dezen zouden mogen geweest zijn de vierhonderd profeten van het afgodische woud, van hetwelk gesproken is boven, 1 Kon. 18:19, en niet verschenen voor Elia, op den berg Karmel, met de vier honderd en vijftig profeten Baäls. Zie in 1 Kon. 18:22 de aantekeningen.Vers 7 Maar Josafat zeide: Is hier niet nog een profeet des Heeren, dat wij het van hem vragen mochten?11 nog een profeet Versta, boven deze vierhonderd profeten, van welken de koning Josafat begon een kwaad nadenken te krijgen. Of, boven veel anderen profeten, die tevoren in Israël geweest waren.Vers 8 Toen zeide de koning van Israël tot Josafat: Er is nog een man, om door hem den Heere te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zeide: De koning zegge niet alzo!12 den HEERE Merk dat deze afgodendienaars nog willen schijnen den waren God recht te kennen en te zoeken, om hem te gehoorzamen.13 goeds Dat is, dat mij aangenaam is. Zie boven, 1 Kon. 1:42.14 Micha, Die te onderscheiden is van den profeet Micha, toegenaamd de Morasthiet, omdat hij in de stad Morasa geboren was, Micha 1:1, die geleefd heeft ten tijde der koningen van Juda, Jotham, Achaz en Hizkia.15 zegge niet alzo! Dat is, haat den persoon niet om des woords wil, en versmaad het woord niet om des persoons wil.Vers 9 Toen riep de koning van Israël een kamerling, en hij zeide: Haal haastelijk Micha, den zoon van Jimla.16 kamerling, Het Hebreeuwse woord betekent in het algemeen een hoveling, hofjonker, hofofficier. Zie Gen. 37:36.Vers 10 De koning van Israël nu, en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun klederen, op het plein, aan de deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.17 hun klederen, Te weten, met bijzondere koninklijke klederen, in welke zij hun majesteit, staat en heerlijkheid vertoonden. Anders, [hun] wapenen aanhebbende.18 plein, Versta, een effen, onbetimmerde en ledige plaats. Zie Gen. 50:10. Zulke meent men voor aan de poorten der steden in vorige tijden geweest te zijn voor marktplaatsen, of ruimten, om daar een menigte van krijgslieden in slagorde te stellen, zo wanneer men den inval van enige vijanden vreesde.19 de profeten Namelijk, van welken gesproken is boven, 1 Kon. 22:6; alzo ook onder, 1 Kon. 22:12.Vers 11 En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren horens gemaakt; en hij zeide: Zo zegt de Heere: Met deze zult gij de Syriërs stoten, totdat gij hen gans verdaan zult hebben.20 Zedekia, Een der voorgemelde profeten, die te onderscheiden is van een anderen valsen profeet van dezen naam, den zoon van Maäseja, Jer. 29:21.21 ijzeren horens Om daarmede, als met een teken, zijn profetie voor te stellen, en daarna met het woord te verklaren, gelijk vele profeten gewoon waren te doen.22 HEERE: Hij wendt den naam JEHOVAH des enigen en waarachtigen Gods, en niet de namen zijner afgoden voor; gelijk ook onder, 1 Kon. 22:12,24. Niet alleen om aldus zijn voorzegging voor den koning Josafat te aangenamer te maken, maar ook om voor een ieder te betuigen dat hun ganse religie en profetering kwanswijs daarheen gericht was, om den God van dien naam eer en dienst te bewijzen. Vergelijk Exod. 32:4,5; Richt. 17:3; 1 Kon. 12:28.23 Met deze De zin is dat hij hen lichtelijk zou overwinnen en vernielen. Want gelijk de gehoornde beesten de andere, die zonder hoornen zijn, licht beschadigen en verdrukken, alzo zou het hem niet zwaar zijn de Syriërs als zwakker dan hij was, tenonder te brengen.Vers 12 En al de profeten profeteerden alzo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn; want de Heere zal hen in de hand des konings geven.24 gij zult voorspoedig zijn; Hebreeuws, zijt voorspoedig; dat is, gij zult voorspoedig zijn, alzo onder, 1 Kon. 22:15. Vergelijk Ps. 37:3, en Spreuk. 3:25.Vers 13 De bode nu, die henengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie toch, de woorden der profeten zijn uit een mond goed tot den koning; dat toch uw woord zij, gelijk als het woord van een uit hen, en spreek het goede.25 uit een mond Hebreeuws, één mond, of met één mond.26 het goede. Dat is, de overwinning over de Syriërs en de verovering van Ramoth in Gilead. Vergelijk boven, 1 Kon. 22:8, en de aantekeningen en onder, 1 Kon. 22:18.Vers 14 Doch Micha zeide: Zo waarachtig als de Heere leeft, hetgeen de Heere tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken.Vers 15 Als hij tot den koning gekomen was, zo zeide de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zeide tot hem: Trek op, en gij zult voorspoedig zijn, want de Heere zal ze in de hand des konings geven.27 Trek op, De profeet zegt dit niet met ernst, maar bespottende het antwoord en de voorzegging der valse profeten, welker woorden hij daarom ook gebruikt, gelijk die verhaald staan boven, 1 Kon. 22:12 [want de Heere had die hem geopenbaard]. Waarom Achab uit zijn manier van spreken, wezen en gebaren merkende dat hij het niet meende hetgeen hij zeide, beveelt hem een ernsthaftig antwoord te geven, in 1 Kon. 22:16. Het is dan een bevel of raad, spottenderwijze gegeven. Vergelijk Richt. 10:14; Pred. 11:9; Ezech. 20:39; Amos 4:4,5; Matth. 23:32.Vers 16 En de koning zeide tot hem: Tot hoe vele reizen zal ik u bezweren, opdat gij tot mij niet spreekt, dan alleen de waarheid, in den Naam des Heeren?28 in den Naam des HEEREN? Dat is, door des Heeren bevel en ingeving. Zie 2 Kon. 2:24.Vers 17 En hij zeide: Ik zag het ganse Israël verstrooid op de bergen, gelijk schapen, die geen herder hebben; en de Heere zeide: Dezen hebben geen heer; een iegelijk kere weder naar zijn huis in vrede.29 Ik zag het ganse Israël Te weten, in een profetisch gezicht, hetwelk aan mijn geest geschied is. Zie van deze gezichten Gen. 15:1. In dit gezicht zijn hem drie dingen geopenbaard: I. Dat de Israëlieten geen victorie zouden bevechten, maar voor de Syriërs vluchten; II. Dat Achab zou omkomen en sterven; III. Dat het volk ditmaal niet in den strijd zou omkomen, maar naar huis wederkeren.30 Dezen hebben geen heer; Anders, deze zullen geen heer hebben.Vers 18 Toen zeide de koning van Israël tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goed, maar kwaads profeteren?31 Heb ik tot u niet gezegd: Zie boven, 1 Kon. 22:9.Vers 19 Verder zeide hij: Daarom hoort het woord des Heeren: Ik zag den Heere, zittende op Zijn troon, en al het hemelse heir staande nevens Hem, aan Zijn rechter hand en aan Zijn linkerhand.32 hij: Namelijk de profeet Micha.33 zag den HEERE, Te weten, niet in zijn wezen, maar in de tekenen zijner openbaring, welke den profeten zijn vertoond geweest, somtijds lichamelijk aan de ogen des lichaams, somtijds alleen geestelijk aan het verstand. Zie Gen. 32:30, en Num. 12:8.34 zittende God wordt ons aldus voorgesteld bij gelijkenis van een aards monarch, die met vele dienaren omsingeld zijnde, gezeten is om te richten. Het doel is om ons te onderwijzen van de heerlijkheid zijner majesteit, van de wijsheid zijner oordelen, en van de almogendheid zijner werken.35 hemelse heir Versta, de engelen, of hemelse geesten. Zie Gen. 2:1, en boven, 1 Kon. 18:15, en vergelijk Ps. 103:21, en Ps. 148:2; Jes. 45:12.Vers 20 En de Heere zeide: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? De een nu zeide aldus, en de andere zeide alzo.36 De een nu zeide Hebreeuws, deze zeide in, of, met alzo, en deze zeide in, of, met alzo; dat is, de een zeide op deze manier, en de andere zeide op die manier.Vers 21 Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht des Heeren, en zeide: Ik zal hem overreden.37 een geest uit, Deze is een der boze geesten geweest, die God naar zijn oneindelijke wijsheid, zonder met hun doen besmet te worden, weet te gebruiken, niet alleen om zijn kinderen te beproeven, Job 1:12, en Job 2:6, en te verootmoedigen, 2 Cor. 12:7, maar ook om de goddelozen te straffen en te verderven, gelijk te zien is 1 Kon. 22:21 en 1 Sam. 16:14; 2 Thess. 2:9,10,11.Vers 22 En de Heere zeide tot hem: Waarmede? En hij zeide: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in den mond van al zijn profeten. En Hij zeide: Gij zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe alzo.38 leugengeest zijn Hebreeuws, een geest der valsheid, of der leugen; alzo in 1 Kon. 22:23, dat is, die onwaarheid en leugentaal uit zich voortbrengt en anderen wijsmaakt. Vergelijk Joh. 8:44; Openb. 12:9.39 zijn profeten. Namelijk, van Achab, welverstaande dergenen, die hem in zijn afgoderij toegedaan zijn.40 Gij zult overreden, Dat is, uw leugen zal macht hebben om de valse profeten, en door dezen Achab te bedriegen. Vergelijk 2 Thess. 2:11.41 doe alzo. God wordt gezegd het kwade den redelijken schepselen te bevelen, als Hij hen gebruikt om zijn heilig voornemen daardoor uit te voeren. Hetwelk Hij doet, niet door denzelven enige zonde in te geven, of met het woord te belasten, maar door hun eigen boosheid niet alleen niet te beletten, maar ook buiten hun weten en wil naar zijn oneindelijke wijsheid te besturen tot een heilig einde, overeenkomende met zijn goedheid aan degenen, die behouden worden, en rechtvaardigheid tegen degenen, die verloren gaan. Vergelijk 2 Sam. 16:10.Vers 23 Nu dan, zie, de Heere heeft een leugengeest in den mond van al deze uw profeten gegeven; en de Heere heeft kwaad over u gesproken.42 kwaad over u Versta, het kwaad der straf. Zie Gen. 19:19.Vers 24 Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha op het kinnebakken; en hij zeide: Door wat weg is de geest des Heeren van mij doorgegaan, om u aan te spreken?43 Zedekia, Zie boven, 1 Kon. 22:11.44 sloeg Micha Tot een bewijs van grote vijandschap en verachting. Zie Job 16:10; Ps. 3:8; Jer. 20:2; Mark. 14:65; Hand. 23:2; 2 Cor. 12:7.45 weg Dit woord is hier ingevoegd uit 2 Kron. 18:23.Vers 25 En Micha zeide: Zie, gij zult het zien, op dienzelfden dag, als gij zult gaan van kamer in kamer, om u te versteken.46 zien, Dat is, bevinden en gewaar worden dat de Geest Gods niet door u, maar door mij gesproken heeft. Zien, voor bevinden, Gen. 26:28; Matth. 2:16; Rom. 7:23.47 van Zie boven, 1 Kon. 20:30.48 versteken. Te weten, vrezende gevangen en gestraft te worden, omdat gij door uw valse profetie des konings dood zult veroorzaakt hebben.Vers 26 De koning van Israël nu zeide: Neem Micha, en breng hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Joas, den zoon des konings;49 zeide: Namelijk, tot een zijner dienaren.Vers 27 En gij zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet dezen in het gevangenhuis, en spijst hem met brood der bedruktheid, en met water der bedruktheid, totdat ik met vrede weder kom.50 in het gevangenhuis, Hebreeuws, het huis der bedwinging, of besluiting. Alzo 2 Kon. 17:4, en 2 Kon. 25:27; Jes. 42:7; Jer. 37:15.51 der bedruktheid, Dit is, dat men den bedrukten en gevangenen placht te geven; of dat met grote spaarzaamheid, niet tot vermaking, maar alleen tot nodige onderhouding des lichaams gegeven, en in kommer, droefheid en benauwdheid des geestes genuttigd wordt. Hierom wordt ook brood en drank der tranen, der smarte en der benauwdheid voor den staat zelven der ellende en verdrukking genomen; Ps. 80:6, en Ps. 127:2; Jes. 30:20.52 met water Voeg daarbij, drenk hem.53 met vrede Dat is, met overwinning der vijanden, met verovering der stad en met welstand mijns persoons.54 weder kom Dit woord is hier ingevoegd uit 1 Kon. 22:28, en uit 2 Kron. 18:26.Vers 28 En Micha zeide: Indien gij enigszins met vrede wederkomt, zo heeft de Heere door mij niet gesproken! Verder zeide hij: Hoort, gij volken altegaar!55 enigszins Hebreeuws, wederkomende wederkomt.56 HEERE Vergelijk Num. 16:29.57 Hoort, Hebreeuws, hoort gij volken, zij allen. Alzo Micha 1:2, enz. Of, hoort volken al deze dingen. Hij neemt hen allen tot getuigen, zowel van zijn profetie, als van hetgeen hij nu laatst den koning Achab geantwoord had.Vers 29 Alzo toog de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.