Dood van den profeet te Beth-El
Vers 11 Een oud profeet nu woonde te Beth-el; en zijn zoon kwam, en vertelde hem al het werk, dat de man Gods te dien dage in Beth-el gedaan had, met de woorden, die hij tot den koning gesproken had; deze vertelden zij ook hun vader.18 oud profeet In dagen, en misschien ook in ambt, doch hierin niet altijd vroom en getrouw, want hoewel hij de gave der profetie en enige vreze Gods gehad heeft, en een liefhebber der ware profeten schijnt geweest te zijn, gelijk af te nemen is uit hetgeen hierna verhaald wordt, 1 Kon. 13:20,21,22,26,27,29,30,31,32, nochtans wordt hij hier bevonden in leugentaal en valsheid, 1 Kon. 13:18, waardoor hij den vromen profeet bedrogen en in het lijden gebracht heeft, 1 Kon. 13:24.19 zij ook hun vader. Namelijk, de voorgemelde zoon met zijn broeders, die zijn verhaal met hun toestemming bevestigden.Vers 12 En hun vader sprak tot hen: Wat weg is hij getogen? En zijn zonen hadden den weg gezien, welken de man Gods was getogen, die uit Juda gekomen was.20 gezien, Dat is, zij hadden gelet, of vernomen wat weg hij ingegaan was, vertrekkende van Beth-el, en gaven hun vader dat te kennen.Vers 13 Toen zeide hij tot zijn zonen: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem den ezel, en hij reed daarop.Vers 14 En hij toog den man Gods na, en vond hem zittende onder een eik; en hij zeide tot hem: Zijt gij de man Gods, die uit Juda gekomen zijt? En hij zeide: Ik ben het.21 eik; Hier schijnt de profeet gerust te hebben uit vermoeidheid, met honger verenigd.Vers 15 Toen zeide hij tot hem: Kom met mij naar huis, en eet brood.Vers 16 Doch hij zeide: Ik kan niet met u wederkeren, noch met u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken, in deze plaats.22 deze plaats. Te weten, Beth-el, gelijk boven, 1 Kon. 13:8.Vers 17 Want een woord is tot mij geschied door het woord des Heeren: Gij zult aldaar noch brood eten, noch water drinken; gij zult niet wederkeren, gaande door den weg, door denwelken gij gegaan zijt.23 een woord is Dat is, een bevel en last is mij gegeven, door de aanspraak des Heeren.Vers 18 En hij zeide tot hem: Ik ben ook een profeet, gelijk gij, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord des Heeren, zeggende: Breng hem weder met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Doch hij loog hem.24 gij, Deze oude profeet zondigt hier driezins: I. omdat hij God tegen zichzelven stelt; II. omdat hij den profeet van Juda niet toelaat het bevel, hem van den Heere gegeven, te volbrengen; III. omdat hij een valse openbaring of aanspraak voortbrengt.Vers 19 En hij keerde met hem wederom, en at brood in zijn huis, en dronk water.25 hij keerde Hier zondigt ook deze profeet, verlatende het ware woord Gods, waarvan hij zeker was, en aannemende het valse, waarvan hij niet zeker kon wezen.Vers 20 En het geschiedde, als zij aan de tafel zaten, dat het woord des Heeren geschiedde tot den profeet, die hem had doen wederkeren;26 geschiedde tot Te weten, inwendiglijk door openbaring aan zijn gemoed.27 profeet, Versta, den ouden profeet, die te Beth-el woonde. En men kan hieruit afnemen, dat God dezen ook als een profeet gebruikte.28 hem Te weten, de profeet van Juda.29 had doen wederkeren; Namelijk, van de plaats, waar hij hem op den weg gevonden had, tot de stad Beth-el.Vers 21 En hij riep tot den man Gods, die uit Juda gekomen was, zeggende: Zo zegt de Heere: Daarom dat gij den mond des Heeren zijt wederspannig geweest, en niet gehouden hebt het gebod, dat u de Heere, uw God, geboden had,30 riep Dat is, hij sprak hem toe, met een luide, klare en zeer verzekerde stem.31 den mond Dat is, het gebod des HEEREN, hier tevoren uitgedrukt 1 Kon. 13:9,17, en in het volgende, 1 Kon. 13:22 wederom vernieuwd.Vers 22 Maar zijt wedergekeerd, en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse, waarvan Hij tot u gesproken had: Gij zult geen brood eten noch water drinken; zo zal uw dood lichaam in uw vaderen graf niet komen.32 zo zal Hetwelk voor een straf geoordeeld wordt, niet omdat de plaats der begrafenis den afgestorvene iets goeds of kwaads doen kan, maar omdat degenen, die tot de gewone plaats hunner begrafenis niet geraken kunnen, gemeenlijk meer ongemak hebben eer zij sterven, en min burgerlijk eer als zij begraven worden, en sommigen enig openbaar kwaad gedaan hebben in hun leven. Zie onder, 1 Kon. 14:13; Jes. 14:19,20; Jer. 22:19, en Jer. 26:23.Vers 23 En het geschiedde, nadat hij brood gegeten, en nadat hij gedronken had, dat hij hem den ezel zadelde, te weten voor den profeet, dien hij had doen wederkeren.33 hij brood gegeten, Namelijk, de man Gods, die van Juda gekomen was.34 hij hem den ezel Namelijk, de oude profeet van Bethel; hetwelk hij gedaan heeft, of door zijn zonen, of door zichzelven, om door deze gedienstigheid, [gelijk sommigen menen] te bewijzen het leed, dat hij had van het kwaad, dat hij den profeet van Juda gedaan had, wensende in zijn vriendschap nog te mogen blijven.Vers 24 Zo toog hij heen, en een leeuw vond hem op den weg, en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op den weg, en de ezel stond daarbij; ook stond de leeuw bij het dode lichaam.35 vond hem Dat is, ontmoette hem.36 stond daarbij; Als door de hand der goddelijke voorzienigheid daar gehouden, om het dode lichaam ter begrafenis te dragen.37 stond de leeuw Niet als een roofdier om dat te verslinden, maar als een wacht om dat ter begrafenis te bewaren.Vers 25 En ziet, er gingen lieden voorbij, en zagen het dode lichaam geworpen op den weg, en den leeuw, staande bij het dode lichaam; en zij kwamen en zeiden het in de stad, waarin de oude profeet woonde.Vers 26 Als de profeet, die hem van den weg had doen wederkeren, dit hoorde, zo zeide hij: Het is de man Gods, die den mond des Heeren wederspannig is geweest; daarom heeft de Heere hem den leeuw overgegeven, die hem gebroken, en hem gedood heeft, naar het woord des Heeren, dat Hij tot hem gesproken had.38 den mond Zie boven, 1 Kon. 13:21.39 gesproken had. Te weten, door mij. Zie boven, 1 Kon. 13:22.Vers 27 Verder sprak hij tot zijn zonen, zeggende: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem.Vers 28 Toen toog hij heen, en vond zijn dood lichaam geworpen op den weg, en den ezel, en den leeuw, staande bij het dode lichaam; de leeuw had het dode lichaam niet gegeten, en den ezel niet gebroken.40 niet gebroken. Dat is, niet verscheurd noch enige leed gedaan, om hem te verslinden.Vers 29 Toen nam de profeet het dode lichaam van den man Gods op, en leide dat op den ezel, en voerde het wederom; zo kwam de oude profeet in de stad om rouw te bedrijven en hem te begraven.41 rouw Zie van het gebruik, waardoor men de doden heeft beklaagd, Gen. 23:2.Vers 30 En hij leide zijn dood lichaam in zijn graf; en zij maakten over hem een weeklage: Ach, mijn broeder!42 in zijn graf; Te weten, in zijn eigen graf, dat hij daar in het land Israëls had. En hiermede werd vervuld de voorzegging Gods, vermeld boven, 1 Kon. 13:22, want het lichaam van den doden profeet is niet gekomen in zijner vaderen graf, maar in het graf eens vreemden, namelijk van dezen ouden profeet van Bethel.43 zij maakten Namelijk, niet alleen de oude profeet, maar ook zijn huisgezin, ja ook [zo enigen menen] velen van de stad.44 Ach, mijn broeder! Sommiger gevoelen is dat dit de eerste woorden zijn geweest van een lijklied, hetwelk over hem gezongen werd.Vers 31 Het geschiedde nu, nadat hij hem begraven had, dat hij sprak tot zijn zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zo begraaft mij in dat graf, waarin de man Gods begraven is, en legt mijn beenderen bij zijn beenderen.45 legt Sommigen menen dat hij dit expresselijk belast heeft, opdat zijn beenderen na zijn dood niet zouden geraken onder de beenderen, van welke gesproken is boven, 1 Kon. 13:2.Vers 32 Want de zaak zal gewisselijk geschieden, die hij door het woord des Heeren uitgeroepen heeft tegen het altaar, dat te Beth-el is, en tegen al de huizen der hoogten, die in de steden van Samaria zijn.46 gewisselijk Hebreeuws, geschiedende geschieden, of zijnde zijn.47 hoogten, Wat de hoogten voor plaatsen geweest zijn, zie Lev. 26:30.48 Samaria Hebreeuws, Schomeron; het is een landschap, alhier zo genoemd bij voorkoming, omdat het naderhand eerst dezen naam kreeg van de koninklijke stad Schomeron [anders genaamd Samaria], daarin gelegen, en van een berg van denzelfden naam, waarop de koning Omri die stad gebouwd heeft. Anderen verstaan dit van den berg zelf, die door zijn wijdte, ruimte en grootte veel kleine stedekens op zich zou gehad hebben. Vergelijk onder, 1 Kon. 13:16, de aantekeningen 1 Kon. 13:24.Vers 33 Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn bozen weg; maar maakte wederom priesters der hoogten van de geringsten des volks; wie wilde, diens hand vulde hij, en werd een van de priesters der hoogten.49 deze geschiedenis Te weten, na de wonderwerken, die God gedaan had aan zijn hand, die haastelijk dorde en weder gezond geworden was; aan het altaar, dat vanzelf, zonder toedoen der mensen, spleet en scheurde, aan den profeet van Juda, die naar de goddelijke voorzegging in zijner vaderen graf niet gekomen was.50 wederom Zie boven, 1 Kon. 12:31,32.51 van de geringsten Zie boven, 1 Kon. 12:31.52 wie wilde, Anders, wien hij wilde, enz.53 diens hand Dat is, dien maakte hij priester. Zie Exod. 28:41, en Lev. 7:37.Vers 34 En hij werd in deze zaak het huis van Jerobeam tot zonde, om hetzelve te doen afsnijden en te verdelgen van den aardbodem.54 hij werd Namelijk, Jerobeam. Anders, en dit werd, enz.55 het huis Dat is, zijn huis. Zie boven, 1 Kon. 2:19.56 tot zonde, Dat is, hij is met dit zijn doen oorzaak geweest, dat zijn nakomelingen tot gruwel en afgoderij vervallen zijn, en dat over hen gekomen is Gods straf, waardoor zij ten enenmale uitgeroeid zijn geweest, gelijk in de volgende hoofdstukken beschreven wordt.