Advertentie

1 Koningen 12:1-19

19 verzen · 31 kanttekeningen · Statenvertaling

Israëls verzoek om verlichting van lasten

Vers 1 En Rehabeam toog naar Sichem, want het ganse Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.1 Sichem, De naam ener stad gelegen in Efraïm, van welke zie breder Gen. 12:6. In deze stad, als in het midden des lands, was de vergadering belegd, in welke men van de huldiging des nieuwen konings en van de zaken des rijks handelen zou.Vers 2 Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte),2 want hij was van koning Salomo gevloden; Zie boven, 1 Kon. 11:40.3 woonde in Egypte, Te weten, wachtende bekwame gelegenheid om tot het koninkrijk, hem van God door den profeet Ahia toegezegd, boven, 1 Kon. 11:31, te geraken.Vers 3 Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de ganse gemeente van Israël kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende:Vers 4 Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.4 juk Dat is, de dienstbaarheid en den last der schatting, die hun Salomo opgelegd had. Zie boven, 1 Kon. 4:7, en 1 Kon. 5:13; alzo is het woord juk gebruikt in het volgende; idem Gen. 27:40, en Lev. 26:13.5 hard gemaakt; Hoewel Salomo de goederen zijns volks belast had met schattingen, tot onderhouding van zijn staat en hofgezin, boven, 1 Kon. 4:7,22, nochtans hadden zij geen oorzaak om dus te klagen, dewijl zij onder zijn regering, durende veertig jaren lang, 2 Kron. 9:30, nevens de ware religie, groten vrede en rijkdom genoten hadden, boven 1 Kon. 4:24,25, en 1 Kon. 10:27.6 maak Of, minder van den harden dienst uws vaders, enz.7 vaders harden dienst, Dat is, dien uw vader ons opgelegd heeft. Alzo, de last des konings, Hos. 8:10, dat is, dien de koning oplegt.8 ons opgelegd heeft, Hebreeuws, op ons gegeven heeft; alzo 1 Kon. 12:9.9 u dienen. Dat is, uw onderzaten zijn, en u voor onzen koning aannemen, erkennen en u gehoorzamen. Dat heet onder, 1 Kon. 12:7, knechten zijn.Vers 5 En hij zeide tot hen: Gaat heen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging heen.Vers 6 En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?10 oudsten, Dat is, met de raadsheren des rijks. Zie Gen. 50:7.11 gestaan hadden Dat is, die hem met raad gediend hadden. Vergelijk onder, 1 Kon. 12:8, en zie Deut. 1:38, en boven, 1 Kon. 1:2.Vers 7 En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.12 knecht van dit volk wezen zult, Dat is, hen involgen zult, hun toestaande hetgeen zij met beleefdheid aan u verzoeken. Vergelijk hiermede 2 Kron. 10:7.13 goede woorden Dat is, aangename, vriendelijke en troostrijke redenen. Zie boven, 1 Kon. 1:42.14 knechten zijn. Zie boven, 1 Kon. 12:4.Vers 8 Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.15 jongelingen, Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 44:20.16 opgewassen waren, Of, opgevoed waren.17 die voor zijn aangezicht stonden. Dat is, die in zijn dienst waren, gelijk boven, 1 Kon. 12:6.Vers 9 En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter.Vers 10 En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.18 Mijn kleinste vinger Of, mijn kleinste [lid] enz. Een algemeen spreekwoord, waardoor te kennen gegeven wordt dat hij meerder geweld zou gebruiken om zijn volk te verdrukken, dan zijn vader gedaan had.Vers 11 Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.19 schorpioenen kastijden. Dat is, met geselen, welke scherpe haken aanhebben om te steken en te doorwonden, gelijk de scorpioenen doen. Anderen verstaan geselen van egelentier of andere doornen gemaakt, waarbij de dienstbaarheid vergeleken wordt, waarmede de koning geraden wordt zijn volk te dreigen.Vers 12 Zo kwam Jerobeam en het ganse volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.Vers 13 En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden.20 den raad der oudsten, Zie boven, 1 Kon. 12:7.Vers 14 En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.21 raad der jongelingen, Zie boven, 1 Kon. 12:10,11.Vers 15 Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den Heere, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de Heere door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.22 omwending Of, omgang, omkering; idem, oorzaak. De zin is hier dat deze geschiedenis, of handel, waardoor de staat des lands dus omkeerde en omgewend werd, geschiedde naar het beleid der voorzienigheid Gods, opdat Hij zijn straf, die Hij Salomo om zijn afwijking bedreigd had, uitvoeren zou, zonder nochtans dat God van der mensen doen enige besmetting heeft gekregen. Vergelijk onder, 1 Kon. 12:24; idem Gen. 45:5,7,8, en Gen. 50:20; Exod. 9:16; 2 Sam. 12:12; 2 Kron. 25:20.23 dienst van Ahia, Hebreeuws, hand. Zie Lev. 8:36.Vers 16 Toen gans Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten.24 Wat deel hebben wij aan David? Vergelijk 2 Sam. 20:1. De zin is dat zij met het koninkrijk van David niet wilden te doen hebben, omdat zij, naar hun gevoelen, geen voordeel te verwachten hadden. Zij spreken vragenderwijze, om te sterker te loochenen. Zie Gen. 18:17.25 uw tenten, Dat is, een iedere kere weder naar zijn huis en naar de zijnen.26 Voorzie nu uw huis, Dat is, dat hij zorg voor zichzelven drage, en niet voor ons, maar ons met vrede late.27 David! Zij verstaan de nakomelingen Davids en die hem toegedaan waren; maar hebben hem genaamd, uit verachting, den zoon van Isaï.Vers 17 Doch aangaande de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.28 de kinderen van Israël, Versta bij dezen den stam van Simeon, die voor een deel onder den stam van Juda vermengd was, de Levieten en een deel van den stam van Benjamin, die noordwaarts aan den stam van Juda gelegen was. Zie boven, 1 Kon. 11:32, en vergelijk onder, 1 Kon. 12:23.Vers 18 Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het ganse Israël stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam verkloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.29 Adoram, Deze is die ook [naar eniger gevoelen] Adoniram genoemd werd, boven, 1 Kon. 4:6, en 1 Kon. 5:14, van wien daar gezegd wordt dat hij over des konings schatting was, gelijk ook hier van dezen; welk ambt degenen, die het bedienen, placht bij het volk hatelijk te maken; zodat het onvoorzichtigheid was, zulk een te zenden om de Israëlieten tot vrede te brengen.30 verkloekte Te weten, zich haastende om het gevaar te ontkomen.Vers 19 Alzo vielen de Israëlieten van het huis Davids af, tot op dezen dag.31 vielen de Israëlieten Anders, alzo waren de Israëlieten wederspannig, of, rebel, of, trouweloos tegen het huis Davids. Zo wordt het oorspronkelijke woord in gelijke zaak gebruikt, 2 Kon. 1:1, en 2 Kon. 3:7, en 2 Kon. 8:22.

Lees heel 1 Koningen 12

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.