Bijbelboeken

Hoofdstukken:1

Filemon 1:3-11


    Paulus' dankzegging en gebed voor de Filippenzen

  1. Genade zij ulieden en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
  2. Ik dank mijn God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijn gebeden;
  3. Alzo ik hoor uw liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heere Jezus, en jegens al de heiligen;
  4. Opdat de gemeenschap uws geloofs krachtig worde in de bekendmaking van alle goed, hetwelk in ulieden is door Christus Jezus.
  5. Want wij hebben grote vreugde en vertroosting over uw liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder!
  6. Daarom, hoewel ik grote vrijmoedigheid heb in Christus, om u te bevelen, hetgeen betamelijk is;
  7. Zo bid ik nochtans liever door de liefde, daar ik zodanig een ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus.
  8. Ik bid u dan voor mijn zoon, denwelken ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onesimus;
  9. Die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; denwelken ik wedergezonden heb.


Ga naar of of .


Toon volledig hoofdstuk
Toon nummering: naast | in tekst | niet
Verander tekstgrootte: vergroten | verkleinen | herstellen (momenteel 10pt)
Vergroot leesbaarheid is uitgeschakeld: inschakelen | Achtergrond uit.
Deze pagina afdrukken
Openen als MS-Word-document
Openen als PDF-document