1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40
(6:26) Dezen zijn het, die tot Farao, den koning van Egypte, spraken, opdat zij de kinderen Israels uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aaron.
(6:27) En het geschiedde te dien dage, als de Heere tot Mozes sprak in Egypteland;
(6:28) Zo sprak de Heere tot Mozes, zeggende: Ik ben de Heere! spreek tot Farao, den koning van Egypte, alles, wat Ik tot u spreek.
(6:29) Toen zeide Mozes voor het aangezicht des Heeren: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal dan Farao naar mij horen?
Ga naar hoofdstuk 5 of hoofdstuk 7.