Bijbelboeken

Hoofdstukken:1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34

Deuteronomium 14:1-21


    Van reine en onreine dieren

  1. Gijlieden zijt kinderen des Heeren, uws Gods; gij zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.
  2. Want gij zijt een heilig volk den Heere, uw God; en u heeft de Heere verkoren, om Hem tot een volk des eigendoms te zijn, uit al de volken, die op den aardbodem zijn.
  3. Gij zult geen gruwel eten.
  4. Dit zijn de beesten, die gijlieden eten zult; een os, klein vee der schapen, en klein vee der geiten;
  5. Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems.
  6. Alle beesten, die de klauwen verdelen, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult gij eten.
  7. Maar deze zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die den gekloofden klauw alleen verdelen: den kemel, en den haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdelen den klauw niet; onrein zullen zij ulieden zijn.
  8. Ook het varken; want dat verdeelt zijn klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het ulieden zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij niet aanroeren.
  9. Dit zult gij eten van alles, wat in de wateren is; al wat vinnen en schubben heeft, zult gij eten.
  10. Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult gij niet eten; het zal ulieden onrein zijn.
  11. Allen reinen vogel zult gij eten.
  12. Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;
  13. En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;
  14. En alle rave naar zijn aard;
  15. En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
  16. En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,
  17. En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;
  18. En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vledermuis;
  19. Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.
  20. Al het rein gevogelte zult gij eten.
  21. Gij zult geen dood aas eten; den vreemdeling, die in uw poorten is, zult gij het geven, dat hij het ete, of verkoopt het den vreemde; want gij zijt een heilig volk den Heere, uw God. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder.


Ga naar of .


Toon volledig hoofdstuk
Toon nummering: naast | in tekst | niet
Verander tekstgrootte: vergroten | verkleinen | herstellen (momenteel 10pt)
Vergroot leesbaarheid is uitgeschakeld: inschakelen | Achtergrond uit.
Deze pagina afdrukken
Openen als MS-Word-document
Openen als PDF-document