Groet Priska en Aquila, en het huis van Onesiforus.
Erastus is te Korinthe gebleven; en Trofimus heb ik te Milete krank gelaten.
Benaarstig u, om voor den winter te komen. U groet Eubulus, en Pudens, en Linus, en Klaudia, en al de broeders.
De Heere Jezus Christus zij met uw geest. De genade zij met ulieden. Amen.
Ga naar hoofdstuk 3 of Titus 1.