Bijbelboeken

Hoofdstukken:1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13

2 KorintiŽrs 11:16-33


    Lijden van Paulus voor het Evangelie

  1. Ik zeg wederom, dat niemand mene, dat ik onwijs ben; doch zo niet, neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik ook een weinig moge roemen.
  2. Dat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in dezen vasten grond der roeming.
  3. Dewijl velen roemen naar het vlees, zo zal ik ook roemen.
  4. Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt.
  5. Want gij verdraagt het, zo u iemand dienstbaar maakt, zo u iemand opeet, zo iemand van u neemt, zo zich iemand verheft, zo u iemand in het aangezicht slaat.
  6. Ik zeg dit naar oneer, gelijk of wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stout.
  7. Zijn zij Hebreen? Ik ook. Zijn zij Israelieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook.
  8. Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doods gevaar menigmaal.
  9. Van de Joden heb ik veertig slagen min een, vijfmaal ontvangen.
  10. Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht.
  11. In het reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valse broeders;
  12. In arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.
  13. Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de Gemeenten.
  14. Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geergerd, dat ik niet brande?
  15. Indien men moet roemen, zo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid.
  16. De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die geprezen is in der eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg.
  17. De stadhouder van den koning Aretas in Damaskus, bezette de stad der Damaskenen, willende mij vangen;
  18. En ik werd door een venster in een mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijn handen.


Ga naar of .


Toon volledig hoofdstuk
Toon nummering: naast | in tekst | niet
Verander tekstgrootte: vergroten | verkleinen | herstellen (momenteel 10pt)
Vergroot leesbaarheid is uitgeschakeld: inschakelen | Achtergrond uit.
Deze pagina afdrukken
Openen als MS-Word-document
Openen als PDF-document